MijnDenHaag* Werkt

Dat Den Haag beschikte over een belangrijke industrie, blijkt uit de tentoonstelling MijnDenHaagWerkt* die het Haags Historisch Museum van 15 april t/m 29 augustus 2010 organiseert. Het is de eerste tentoonstelling in het kader van het project MijnDenHaag* waarin het museum de afgelopen twee jaar op zoek ging naar Hagenaars en hun eigen Haagse voorwerpen. Hun verhalen en voorwerpen vormen het uitgangspunt voor deze tentoonstelling waarin de bedrijvigheid van de Hofstad centraal staat. Naast voorwerpen uit de vaste collectie van het museum, zorgen affiches, filmpjes, foto’s en reclamemateriaal van Haagse producten voor een levendige doorsnede van het industriële verleden van Den Haag.

De tentoonstelling is voorbereid met de inhoudelijke steun van de Stichting Haags Industrieel Erfgoed en gerealiseerd met Havelaar Erfgoed Projecten.

Hout- en meubelindustrie

Den Haag heeft een lange traditie op het gebied van de hout- en meubelindustrie. Door de aanwezigheid van het hof en adel en later de ambtenaren lag het accent op de luxueuze meubelen. Van deze sector zijn twee twintigste-eeuwse firma’s nog bij velen bekend: Mutters en Pander. Beide bedrijven waren gevestigd aan de rand van het centrum. Ze produceerden naast hun standaardmeubels ook bijzondere producten. Mutters was vooral bekend vanwege zijn interieurbouw voor luxueuze oceaanstomers en Pander van zijn vliegtuigbouw. De houtzagerijen, zoals die van Van Gogh en Dekker Hout, zijn vooral van belang geweest voor het aanleveren van bouwmaterialen.

Metaalindustrie

Smederijen vormen een eeuwenlange traditie binnen de Haagse nijverheid. In de negentiende eeuw groeit hieruit een sterke metaalindustrie met een tweetal grote ijzergieterijen: Enthoven en de Prins van Oranje. In de twintigste eeuw blijft de metaalsector lange tijd van groot belang al hoewel het type bedrijf wel sterk verandert. Het zijn vooral productiebedrijven als Van Heijst en een constructiebedrijf als Escher die het beeld bepalen. Ook kleinere bedrijven zoals, haardenfabriek Jan Jaarsma en Feenstra weten zich staande te houden. Na de jaren 60 neemt het belang van de metaalnijverheid sterk af. Dan treedt weer een aanverwante sector sterk naar voren, de elektrotechnische industrie. Al in de jaren dertig start men met de productie van radio’s. Niet verwonderlijk in een stad als Den Haag waar in 1919 Schotanus à Steringa Idzerda de eerste radiouitzending ter wereld verzorgde. Bekende namen uit deze sector zijn Van der Heem & Bloemsma (Erres), Blik (Rubli/Ruton), Waldorp en Fridor. Ook de firma Siemens, die al sinds 1891 haar hoofdkantoor in Den Haag heeft, start in die periode met de productie van onder meer telexapparaten.

Grafische industrie

Een van de oudste bedrijfstakken in Den Haag is de grafische nijverheid. De definitieve komst in 1588 van de Staten Generaal naar de stad betekent een belangrijke bron van inkomsten. Het overheidsdrukwerk levert de eeuwen door een continue stroom werk op. De eerste die daar van profiteert, is de staatsdrukkerij. Ook kleinere drukkerijen pikken een graantje hiervan mee doordat veel werk ook door de Staatsdrukkerij uitbesteed wordt. Het boekenvak speelt eveneens vanouds een prominente rol in Den Haag. In de negentiende en twintigste eeuw komt hier nog het handelsdrukwerk bij, zoals reclame- en verpakkingsmateriaal. Ook tegenwoordig is de grafische industrie nog een belangrijke bedrijfstak in de stad. Als onderdeel van de creatieve industrie heeft de grafische industrie nog een veelbelovende toekomst.

Voedings- en genotsmiddelenindustrie

Producten voor het eten en drinken werden in het verleden in de eigen stad geproduceerd. Een grot0 diversiteit van locale producten werd op de markten in het centrum verhandeld. Eind negentiende eeuw, toen de stad sterk uitbreidde, wordt de behoefte op het gebied van de voedings- en genotmiddelenindustrie steeds groter. De brood- en meelfabrieken zijn de eerste grote bedrijven, die zich manifesteren. Te denken valt aan de Haagsche broodfabriek (later Lensvelt Nicola), B. Hus en Paul Kaiser. Al snel breidt de sector zich uit met chocolade- en suikerwerkfabrieken, zoals die van Rademaker en Paré. De zuivelindustrie ontwikkelt zich eveneens sterk. Op dit terrein kent ieder wel de namen van De Sierkan, Van Grieken en De Landbouw. In de genotmiddelenindustrie zijn het de diverse jenever- en likeurdistilleerderijen die van zich doen spreken. Ook heeft Den Haag enkele bierbrouwerijen gekend, waarvan de ZHB de bekendste en grootste is. Een ander segment van de genotmiddelenindustrie is de tabaksindustrie waarvan de grote sigarettenfabrieken Batschari en Laurens de bekendste zijn. Ook kleinere firma’s waren hier actief, zoals de firma’s Reuser & Smulders en P.D. Schilte. Naast tabak deden beide bedrijven ook in koffie en thee.

Na het werk

In veel bedrijven was de onderlinge verbondenheid sterk. Werknemers stonden voor elkaar klaar in het werk, maar ook daarbuiten. Ook vanuit de bedrijven werd dit gestimuleerd. Dit komt ook tot uiting in het verenigingsleven dat veelal op initiatief van het bedrijf werd opgezet en gaande gehouden. De grote firma’s gingen hierin voorop. Zij kenden onder meer toneel-, zang-, sportverenigingen en fanfares. Een keur aan activiteiten vond plaats. Een personeelsblad vormde hiervoor het ideale communicatiemiddel. In de periode 1930-1960 kent dit bedrijfsverenigingsleven een grote bloei. De teruggang in de industrie eind jaren 60 en begin 70 veroorzaakt ook op dit gebied een leegte. Een enkele voetbalclub resteert nog. Al zijn ze meestal gefuseerd met andere verenigingen. Ook de ontspanningsverenigingen behoren daarmee tot het erfgoed.