haags historisch museum

informatie per e-mail ontvangen?


Oog voor Talent, 250 jaar hoger beroepsonderwijs van de Fundatie van Renswoude aan weesjongens

Tentoonstelling over geschiedenis Fundatie van Renswoude


In april 1754 overleed in Utrecht Maria Duyst van Voorhout, vrijvrouwe van Renswoude en een van de rijkste vrouwen van Nederland, op de gezegende leeftijd van 92 jaar. Zij bleek het grootste deel van haar vermogen van twee miljoen gulden nagelaten te hebben aan drie tehuizen in Utrecht, Den Haag en Delft. Het geld moest worden besteed aan de oprichting van een fonds, de zogeheten Fundatie van Renswoude, met de bedoeling talentvolle wezen een hogere beroepsopleiding te laten volgen. Deze jongens (want meisjes kwamen pas in 1919 in aanmerking voor een opleiding via de Fundatie) zouden zich moeten bekwamen in technische vakken en beroepen met een natuurwetenschappelijke achtergrond.

250 jaar na dato is de Fundatie van Renswoude nog steeds springlevend, al zijn de tehuizen waaraan de Fundatie verbonden was, inmiddels gesloten. In plaats daarvan ging men over op een beurzenstelsel. Talentvolle jongeren tot ongeveer dertig jaar, met te weinig financiële middelen om hun studie te bekostigen, kunnen bij de Fundatie een beurs aanvragen. Het jubileum van de Fundatie van Renswoude is voor het Haags Historisch Museum aanleiding om een tentoonstelling over dit fonds te organiseren. Daarbij is er in de eerste plaats aandacht voor de erflaatster, Maria Duyst van Voorhout, echtgenote van de Utrechtse edelman Frederik Adriaan baron van Reede, vrijheer van Renswoude en Emmickhuysen. Aan de hand van portretten, stadsgezichten en persoonlijke bescheiden wordt haar leven geschetst. In de herfst van haar leven woonde de Vrijvrouwe van Renswoude afwisselend in haar stadspaleizen in Utrecht, Den Haag en Delft en in haar buitenverblijf kasteel Renswoude.

 Op de tentoonstelling wordt ook naar een verklaring gezocht voor het feit dat Maria haar kapitaal besteedde aan een voor die tijd zeer ongewoon doel: door scholing kansarme wezen om te vormen tot kundige technici en kunstenaars tot nut van de maatschappij. Waarschijnlijk is zij hiertoe gebracht door haar contacten met de beroemde natuuronderzoeker Antonie van Leeuwenhoek, zelf van eenvoudige komaf, en met haar vriend en raadsman Johan Hendrik Strick van Linschoten, regent van het Utrechtse weeshuis.

Uiteraard wordt op de tentoonstelling ruime aandacht aan de studerende wezen besteed. Hoe was hun leven in het Fundatiehuis, hoe verliep hun studietijd en wat was hun uiteindelijk lot? Verrassend veel materiaal is bewaard gebleven om hiervan een levendig beeld te kunnen geven: prachtige portretten die de wezen van elkaar tekenden, allerhande studiemateriaal, geïllustreerde verslagen van studiereizen die de studenten maakten, tot en met de strafblokken die zij met een ketting aan hun been bevestigd kregen als ze zich hadden misdragen. Dat niet iedere ‘élève’ zich gedroeg als een modelstudent, blijkt onder meer uit de verslagen van seksuele en andere uitspattingen. Aandacht is er ook voor de regenten die door de eeuwen heen belangeloos en veelal gedurende lange tijd zich inzetten voor de Fundatie en haar pupillen. Met hun vaak opvallend milde wijze van besturen loodsten zij de Fundatie van Renswoude behendig door de eeuwen heen. Tot slot is er aandacht voor de huidige gang van zaken, met verslagen van opmerkelijke, door de Fundatie gesteunde initiatieven.